SCHOUDERPROTHESE

Oorzaak

Arthrose is slijtage("degeneratie") van het gewrichtskraakbeen. Het gewrichtskraakbeen vormt een laag met bepaalde dikte verschillend van gewricht tot gewricht en heeft voornamelijk een glijdende en schokdempende functie.

Slijtage kan optreden door verschillende oorzaken:

·         primair: door leeftijd en erfelijke factoren

·         secundair: posttraumatisch: door breuken in het gewricht

o        postinfectieus: na infectie van het gewricht

o        reumatisch: door chronisch reuma

o        avasculaire necrose: door afsterven van bot door een onverklaarbare doorbloedingsstoornis waardoor misvorming van de kop optreedt, soms met loskomende botfragmenten.

 

Door verlies van kraakbeen ontstaat er abnormale wrijving en overbelasting van het onderliggende bot. Er ontstaat ontsteking van het slijmvlies met vochtuitstorting in het gewricht. Losse fragmenten("gewrichtsmuizen") en papegaaibekken("osteofyten") kunnen ontstaan.


 

Symptomen:

Pijn, zwelling en stijfheid vormen de belangrijkste symptomen van arthrose. De pijn neemt toe met de belasting of is soms 's nachts het meest uitgesproken. Stijfheid is het meest uitgesproken 's morgens of bij het begin van beweging na rust("startstijfheid").

 

Diagnose en onderzoeken:

De diagnose wordt bevestigd door een radiografie die vernauwing toont van gewrichtsspleet door verlies van kraakbeendikte en eventueel papagaaibekken, botcysten of botreactie("sclerose").

 

Behandeling:

niet operatief:

Men kan het verloren kraakbeen op geen enkele manier terug herstellen. De behandeling is er dus vooral op gericht om de klachten onder controle te krijgen. Kinesitherapie kan de beweging verbeteren. Pijnstillers of ontstekingsremmers geven dan weer pijnverlichting. Soms kan een cortisone inspuiting tijdelijk beterschap geven.

operatief:

Indien er een breuk is, behelst de operatie, buiten de humerusprothese, eveneens de herfixatie van de beenderige tuberositeiten waaraan de rotatorcuffspieren aanhechten. Herstel van de tuberositeiten is onmisbaar voor de recuperatie van de actieve mobiliteit (mogelijkheid tot willekeurig de arm op te heffen).

Het principe van een schouderprothese bestaat uit het vervangen van de beschadigde gewrichtsoppervlakten door prothetische implantaten (meestal uit metaal en polyethyleen). Indien de beschadiging de humeruskop en het glenoïd aantast, zal de vervanging gerealiseerd worden door een humerus- en een glenoïd-fragment (totale prothese).



Indien enkel de humeruskop aangetast is (bijvoorbeeld necrose of breuk), zal vervanging alleen ter hoogte van de humerus uitgevoerd worden (hemiprothese).

Indien er ook een onherstelbare scheur is in de pezen van de schouder, zal men een omgekeerde schouderprothese plaatsen.



De implantaten worden in principe aan het bot gehecht door acrylcement.

De ingreep wordt onder algemene verdoving uitgevoerd. De patiënt blijft enkele dagen opgenomen en kan naar huis met specifieke oefeningen om de schouder terug soepel te krijgen.

De kans op succes is ongeveer 90%. Men bekomt echter meestal geen volledig normale beweging van de schouder, vooral bewegingen boven het hoofd en draaibewegingen zullen beperkt blijven. De pijn is meestal wel bijna volledig verdwenen.

 

Mogelijke complicaties zoals infectie, wondprobleem, zenuwletsels, complicaties door de narcose, ... komen slechts zelden voor (<1%).  Een schouder prothese kan op langere termijn (10 à 15 jaar) loskomen. Dit is vooral een probleem bij de prothese t.h.v. het kommetje. Ook luxatie van de schouderprothese is een gekende complicatie (ongeveer 5%).