KRAAKBEENLETSEL

Oorzaak

Het kniegewricht heeft drie gewrichtscompartimenten: - een binnenste (mediale) compartiment

- een buitenste (laterale) compartiment

- een voorste  (anterieure = patellofemorale) compartiment namelijk de knieschijf en zijn goot

Het kraakbeen bekleedt de gewrichtsoppervlakken van beenderen die een gewricht vormen en bekleedt dus het bot in deze compartimenten. De functie van kraakbeen is voornamelijk beweging zonder wrijving mogelijk maken naast enkele andere functies waaronder ook schokabsorptie. Deze laag heeft een bepaalde dikte. Aantasting van deze laag in het gewricht kan diffuus verspreid  zijn in een of meerdere compartimenten zoals bij artrose of gelokaliseerd onder vorm van één of enkele afgelijnde letsels.

De ernst van de aantasting wordt weergegeven in graden:

graad 0: normaal

graad 1: verweking, fibrillatie (haartjes)

graad 2: aantasting van minder dan de helft van de totale dikte

graad 3: aantasting van meer dan de helft van de totale dikte

graad 4: aantasting van de hele dikte tot op het onderliggende bot

graad 5: aantasting van de hele dikte met reactieve verharding (sclerose) van het onderliggende bot

Symptomen:

Aantasting van het kraakbeen leidt tot belastinggebonden pijn en zwelling van het gewricht met vochtuitstorting.

De lokalisatie van de pijn hangt af van het compartiment(en)  waar een letsel(s) is. Bij belangrijke slijmvliesontsteking (synovitis) kan er nachtelijke pijn of pijn in rust aanwezig zijn. Er kan ochtendstijfheid of stijfheid bij de eerste stappen (startstijfheid) aanwezig zijn. In ernstige gevallen vooral bij arthrose is er bewegingsbeperking of een gewrichtscontractuur d.w.z. de knie niet volledig kunnen strekken (flexiecontractuur). Typisch voor kraakbeenaantasting van de knieschijf of zijn goot is pijn vooraan (rond de knieschijf) meer uitgesproken bij het afdalen van trappen of bij langdurig zitten met gebogen knie zoals in de wagen of in de cinema (vandaar moviesign)

Diagnose en onderzoeken:

De diagnose wordt gesteld door het klinisch verhaal en onderzoek. Een lokaal kraakbeenletsel is in tegenstelling tot arthrose niet zichtbaar op radiografie tenzij in gevorderde stadia met verharding (sclerose) van het bot. Kraakbeen kan direct beoordeeld worden door middel van een NMR(=MRI) scan of indirect door middel van een scanner(CT of NMR) met injectie van contraststof in het gewricht.

 

Behandeling:

Kraakbeen herstelt zichzelf slecht of niet. Afhankelijk van de graad van het letsel en de plaats in een gewricht, zal men in meer of mindere mate last ondervinden.

Bij kleine en oppervlakkige kraakbeenletsels zal men vaak een afwachtende houding aannemen. Met glucosamines en hyaluronzuur inspuitingen kan men proberen om de achteruitgang van de kraakbeenslijtage te stoppen. Deze medicaties gaan ook de pijn verbeteren, een 3-tal maanden na het opstarten van de medicatie. De hyaluronzuur inspuitingen gebeuren in een reeks van 3 inspuitingen met telkens 1 week tussen. Deze medicatie wordt (nog) niet terugbetaald door de ziekteverzekering.

 

Bij kleine, goed gelokaliseerde en diepe kraakbeenletsels, kan men met een operatie het kraakbeen herstellen. Deze letsels vormen slechts een kleine minderheid van de patiënten met kraakbeenlijden. Deze technieken kunnen niet gebruikt worden bij arthrose of algemene kraakbeenslijtage of te grote kraakbeenletsels.

Er zijn verschillende mogelijkheden.

Ofwel doet men een techniek van microfractuur. Hierbij worden gaatjes gemaakt in het bot, zodat het bot van hieruit nieuwe cellen kraakbeen gaat aanmaken. Het betreft een soort litteken kraakbeen, dat van minder goede kwaliteit is dan normaal kraakbeen.

Ofwel voert men een kraakbeentransplantatie (mozaïkplastie) uit. Men zal een cilinder kraakbeen nemen op een plaats waar men niet steunt op het kraakbeen. Deze cilinder wordt dan getransplanteerd naar het kraakbeenletsel.

Ofwel doet men een autologe chondrocyten implantatie (ACI). Hierbij wordt tijdens een eerste kijkoperatie enkele schilfers kraakbeen genomen. De kraakbeencellen in de schilfers worden vervolgens in een labo opgekweekt. Nadien zal men de cellen inbrengen in het kraakbeenletsel. Met deze techniek zijn dus 2 operaties nodig.

In beide technieken zal men na de operatie een 6-tal weken niet of gedeeltelijk mogen steunen. Men verblijft 1 nacht in het ziekenhuis. De revalidatie duurt gemiddeld 3 maanden en de kans op succes is ongeveer 80 à 90%.

 

Mogelijke complicaties zoals infectie, wondprobleem, zenuwletsels, ... komen slechts zelden voor (<1%).