POLSBREUK

Oorzaak

De breuken onstaan door een voorwaartse of achterwaartse val op de hand. Patiënten met botontkalking(osteoporose) lopen gemakkelijker breuken op die vaak ook ernstiger zijn.

80% van de polsbreuken zijn van het type Pouteau-Colles.

De Pouteau-Colles breuk is een breuk van het spaakbeen ter hoogte van de pols. Het gebroken fragment van het polsgewricht verplaatst naar de handrugzijde en duimzijde en de pijp van het been wordt in het fragment gedrukt. Men noemt dit ook een vorkstand.

Soms is ook  de top van het andere been aan de pols namelijk de ellepijp afgerukt.

De andere 20% van de polsbreuken zijn niet verplaatst of verplaatst naar de palmzijde (Smith type) van de hand. Sommige breuken lopen door het polsgewricht en bestaan uit verschillende kleine stukken.

 

 

Symptomen:

Meestal zijn de symptomen duidelijk na de val. Er is ernstige pijn en zwelling van de pols. Men kan de pols slechts zeer moeilijk bewegen en elke beweging doet pijn. Soms ziet men dat de pols scheef staat.

 

Diagnose en onderzoeken:

Met een gewone radiografie kan men de fractuur meestal zien en beoordelen. Bij ingewikkelde breuken en breuken die moeilijk te beoordelen zijn op gewone radiografieën, wordt meestal een bijkomende CT-scan genomen.

 

 

Behandeling:


niet operatief:

Breuken die niet of weinig verplaatst zijn kunnen zonder operatie behandeld worden. Er wordt een gips aangelegd voor een totale duur van 4 à 6 weken. De eerste gips is een half open gips, die de zwelling toelaat. Na 1 week wordt een gesloten gips aangelegd.

 

 

operatief:

 

Als de breuk verplaatst is, dan is er een reden om te opereren. De ingreep wordt met 1 nacht ziekenhuisverblijf uitgevoerd onder verdoving van de ganse arm of algemene verdoving.

Afhankelijk van het type breuk zal een specifieke behandeling worden uitgevoerd.

Bij kinderen dient de breuk meestal gewoon op zijn plaats gezet te worden. Nadien is er gips nodig voor 4 à 6 weken.

De meeste breuken bij volwassenen worden op hun plaats gezet en gehouden door pinnen, plaat en schroeven of een uitwendige fixatie. Nadien wordt meestal ook een gips aangelegd voor een 6-tal weken. De pinnen dienen verwijderd te worden na 6 à 8 weken.

 

 

Mogelijke complicaties zoals infectie, wondprobleem, zenuwletsels, ... komen slechts zelden voor (<1%). Het later opnieuw verschuiven van de de breuk na de operatie kan gebeuren (5%). Soms dient de breuk nog eens op zijn plaats gezet te worden. Een kleine as-afwijking kan blijvend zijn, echter meestal zonder hinder. Ernstige breuken, die uit verschillende stukken bestaan of door het polsgewricht verlopen geven meer kans op blijvende last en vroegtijdige slijtage of arthrose. Vertraagd of zelfs niet vastgroeien van de breuk komt weinig voor (1 à 5%). Soms krijgen patiënten tijdens of na de behandeling een complex regionaal pijnsyndroom (CRPS of Südeck).