SCHOUDERLUXATIE

Oorzaak

De schouder heeft een kleine kom en is gevoelig voor ontwrichting("luxatie"). Kapsel, spier-peeseenheden en het labrum zijn belangrijk om de schouder te stabiliseren in tegenstelling tot bijvoorbeeld het heupgewricht dat  een diepe kom heeft die de kop omringd. Het labrum is een ring van bindweefselkraakbeen die de kom vergroot en zo een belangrijke stabiliserende functie heeft.

 

We onderscheiden:

- de instabiliteit zonder ontwrichting: door laksiteit van het schouderkapsel aangeboren en/of door bepaalde sporten

- de niet-traumatische ontwrichting: zonder ongeval, bij bewegingen die niet abnormaal zijn, soms zelf opwekbaar

- de traumatische ontwrichting: door een ongeval

 

Instabiliteit of luxatie kunnen naar voor(=anterieure instabiliteit-luxatie) of naar achter(=posterieure instabiliteit-luxatie)voorkomen.

Instabiliteit zonder ontwrichting:

Dit wil zeggen dat de kop niet goed gecentreerd is in de kom tijdens bepaalde bewegingen met als gevolg een verspringend gevoel of pijn door inklemming van de infraspinatuspees achteraan of supraspinatuspees bovenaan. Dergelijke instabiliteit kan optreden door laksiteit van het schouderkapsel of door deficiëntie van het labrum of de kom. Deze problemen kunnen aangeboren zijn of het gevolg zijn van een eerdere ontwrichting.

Niet-traumatische ontwrichting:

Soms is de aangeboren instabiliteit zo ernstig dat de schouder ontwricht bij normale dagelijkse bewegingen of in de slaap en dat deze ontwrichtingen kunnen uitgelokt worden. In de meest ernstige gevallen kan de schouder in alle richtingen(voor, achter, onder) ontwricht worden, dit noemt men multi-directionele instabiliteit.

Traumatische ontwrichting van de schouder veroorzaakt verschillende letsels:
 

Een ontwrichting is frequent voor de leeftijd van 30 jaar en de frequentie verminderd met de leeftijd. De klassieke legergroet (abductie en externe rotatie) lokken een recidief van de luxatie uit, maar een simpele val op de schouder of een beweging uit het dagelijkse leven, zelfs spontane ontwrichtingen tijdens de slaap, karakteriseren de toename van de instabiliteit.
 

Bij een schouderluxatie (schouderontwrichting of schouder uit de kom) glijdt de kop van de schouder uit het kommetje waarmee hij een gewricht maakt.

Meestal zijn er bijkomende letsels aanwezig.

·         Bij ouderen (>50jaar) zal er meestal een scheur optreden van de rotator cuff. Dit zijn de pezen die rond de schouder zitten.

·         Bij jongere patiënten treed er vaak een Bankart letsel en/of een Hill-Sachs letsel op. Een Bankart letsel is een afrukking van het voorst deel van de schouder meniscus en het voorste deel van het kapsel. Soms kan er ook een stuk been van de kom van de schouder afgerukt zijn. Bij een Hill-Sachs letsel heeft men een indeuking in de kop van de schouder. Deze indeuking bevindt zich meestal achteraan.

Minder vaak zijn er letsels aanwezig van zenuwen of bloedvaten na een luxatie.

Een schouder kan ontwrichten naar de voorzijde (meestal) en ook naar de achterzijde (dit is klassiek na een epilepsie-aanval). Slechts zelden ziet men een luxatio erecta, waarbij de schouder ontwricht terwijl de arm naar boven staat.

Een schouderluxatie kan op 2 manieren veroorzaakt worden:

·          Traumatisch: door een val of een slag op de schouder. Soms kan er ook een breuk aanwezig zijn. Soms kan ook een “verkeerde beweging” tot een luxatie lijden.

·          Habitueel: bij jonge mensen en/of na een eerste luxatie is het schouderkapsel wat laks waardoor de schouder gemakkelijker zal ontwrichten. Men kan de schouder soms zelf en spontaan ontwrichten of door het maken van een “verkeerde beweging”.

 

Symptomen:

Bij een schouderluxatie (ontwrichting) heeft de patiënt zeer veel pijn in de schouder. Men kan de arm (schouder) niet meer gebruiken of bewegen. Men kan de schouder soms zelf terug reduceren (terug in de kom brengen), maar meestal lukt dit niet en moet men naar een dokter. Soms heeft men het gevoel dat de schouder zal ontwrichten en kan men dit voorkomen. Dit heet een subluxatie.

 

Diagnose en onderzoeken:

De diagnose kan vaak klinisch gesteld worden. Men voelt dat de schouder niet meer in de kom zit en dat de kom leeg is. Tijdens het klinisch onderzoek zal men ook nakijken of er geen bijkomend zenuwletsel of een letsel aan de bloedvaten aanwezig is.

 

Meestal wordt er een radiografie genomen voor men de schouder reduceert en dit om bijkomende letsels zoals breuken te kunnen zien. De luxatie kan met een radiografie meestal gezien worden. Een luxatie naar achteren ( posterieure luxatie) is moeilijker te zien op een radiografie, soms wordt het niet gezien.

 

Behandeling:

Soms kan de patiënt de schouder zelf reduceren. Meestal is dit niet het geval en dient de schouder gereduceerd te worden door een arts.

De orthopedische behandeling is dikwijls afhankelijk van de leerschool

niet operatief:

Aangezien de schouder niet spontaan terug op zijn plaats komt is er geen plaats voor niet operatieve behandeling.

operatief:

Meestal kan men de schouder door bepaalde bewegingen uit te voeren terug reduceren. Men moet meestal geen “echte” operatie uitvoeren waarbij gesneden moet worden. Alleen bij langdurig bestaande luxaties of bij complexe breuken met een luxatie is een “echte” operatie nodig.

Door een eenvoudig reductiemanoeuvre reduceert men de schouder. Men kan dit doen terwijl de patiënt wakker is, als hij niet te veel pijn heeft en zich kan ontspannen. Anders wordt de patiënt in slaap gebracht (narcose), om dan de schouder te reduceren.

 

Na reductie wordt een draagdoek aangelegd en een controleradiografie genomen. De draagdoek dient men een 2-tal weken te dragen, waarna men terug de arm mag gebruiken. Meestal zal men via specifieke oefeningen die een kinesist aanleert, de schouderspieren terug kunnen versterken. Men dringt aan om de subscapulaire spier te versterken en te werken op proprioceptie.
De sportactiviteiten worden hernomen na 3 tot 6 maanden.

De kans dat een schouderluxatie zich opnieuw voordoet is groot bij jonge mensen (>80% als men jonger is dan18 jaar). Na meerdere recidieven, kan men chirurgisch ingrijpen.
Er bestaan verschillende technieken :

de coracoïd plug; geschroefd voor de antero-inferieure pool van het glenoïd (Latarjet),



de reïnsertie van het anterieure labrum en van het inferieure gleno-humerale ligament volgens Bankart. Deze laatste wordt meestal als 'open' of arthroscopische (kijkoperatie) procedure uitgevoerd.

Mogelijke complicaties zoals infectie, wondprobleem, zenuwletsels, complicaties van de verdoving,... komen slechts zelden voor (1-5%). Na elke schouderoperatie bestaat er een kans op verstijving van de schouder (Frozen shoulder). Dit is meestal tijdelijk. De revalidatie van de schouder na een operatie duurt meestal lang (3 tot 6 maanden).