Mogelijke verwikkelingen

 

In de meeste gevallen gebeurt de operatie zonder problemen. Toch is het van belang dat u weet welke verwikkelingen er zich onder andere kunnen voordoen:

 

De eerste dagen na de ingreep kan de wonde nog vocht vrijgeven. Dit wondvocht kan doorzichtig, geelachtig of bloederig zijn. Indien de wonde blijft lekken of opnieuw begint te lekken, dient u uw arts te contacteren.

 

Tijdelijk kan een stijf gevoel in het geopereerde been voorkomen. Laat overdreven krachtoefeningen achterwege.

 

Bloeding: door enkel een kleine insnede te maken, worden spieren, pezen en huid zoveel mogelijk gespaard. Eventuele bloedingen worden door deze speciale operatietechniek vermeden. Als dit toch zou gebeuren, kan het zijn dat u bloed toegediend krijgt.

 

De vorming van bloedklonters of een aderontsteking worden vermeden door dagelijkse bloedverdunnende spuitjes en voldoende beweging. Nabloeding als gevolg hiervan is uiterst zeldzaam.

 

Heupontwrichting of luxatie is meestal te wijten aan een verkeerde beweging. Hierbij komt de kop van het gewricht uit de kom. Het gevaar voor luxatie is het grootst de eerste 2 maanden na de ingreep. Het voorkomen van ontwrichting wordt tijdens de revalidatie toegelicht. Voer daarom ook regelmatig uw spierversterkende oefeningen uit.

 

Infectie of besmetting worden voorkomen door het toedienen van antibiotica en door een steriele wondverzorging na de ingreep. Ook later blijft de kans op infectie bestaan. Daarom dient u altijd uw huisarts, tandarts of andere specialist hierover in te lichten dat u een heupprothese hebt. Tijdens bepaalde behandelingen en/of ingrepen kan de arts u preventief antibiotica geven om infecties te voorkomen. Een beginnende infectie kunt u herkennen aan roodheid, warm aanvoelen, pijn of koorts.

 

Tijdens de eerste dagen na de ingreep kunt u een temperatuursverhoging hebben, die spontaan verdwijnt. Indien deze echter blijft aanhouden of na een paar weken weer de kop op steekt, is dit een alarmteken en dient u de arts te verwittigen.

 

Mogelijks kan er na de ingreep een gevoel van beenlengteverschil optreden. Meestal is dit het gevolg van een verkorting van de spieren voor de ingreep. Anderzijds is soms een verlenging (0,5 tot 1 cm) noodzakelijk om voldoende heupstabiliteit te verzekeren. Dit gevoel van beenlengteverschil kan door middel van een zooltje in de schoen worden gecorrigeerd. Meestal verdwijnt dit probleem spontaan.

 

Loslating van de prothese. In normale omstandigheden en bij een normaal gebruik kunnen we er van uit gaan dat de prothese jarenlang zal meegaan. Het kan gebeuren dat de prothese loskomt of dat het polyethyleen gedeelte afgesleten is. Een heroperatie kan overwogen worden wanneer er duidelijk aantasting van het bot op RX te zien is of wanneer de pijn en ongemakken uw dagelijkse activiteiten bemoeilijken. Bij deze ingreep kan de huidige prothese in de meeste gevallen probleemloos vervangen worden.